Les 4

Er is een goed werkend handicap systeem bij Shogi, dat werkt via het weglaten van stukken. Handicaps werken bij Shogi, en nauwelijks bij gewoon schaken, omdat bij Shogi alle stukken waarmee je begint in het spel blijven [hoewel ze steeds van eigenaar kunnen wisselen]. Bij gewoon schaken kun je, door zoveel mogelijk af te ruilen, een relatief steeds groter materieel verschil ontwikkelen, en uiteindelijk de handicap overhouden, zeg maar. Bij Shogi, waarbij elke afruil van gelijke stukken geen enkel materieel verschil uitmaakt, kan dat niet.

De handicapstukken worden permanent uit het spel verwijderd [ze gaan terug in het doosje]. De speler met de materiële achterstand moet dus proberen, door “slimmere” manoeuvres dan die van zijn tegenstander, die achterstand in te lopen, dan wel tot zijn voordeel doen omkeren. Dat lukt, of dat lukt niet. Daardoor zijn handicappartijen altijd erg spannend en valt doorgaans de finale beslissing van zo’n partij helemaal aan het eind.

Het is daarbij van belang om steeds op de “juiste” handicap te spelen, en dat is de handicap die je door te spelen, via een promotie/degradatienorm, af kunt dwingen. Je moet handicaps niet lukraak afspreken, zo van: “Eens kijken of ik dat wáár kan maken”. Op de Haagse club hebben we de maximale norm van vier winst/verliespartijen op rij. Bij e-mail partijen neem ik een norm van drie. Normen van twee of één maken dat de handicap te veel fluctueert, maar je kunt daar natuurlijk wèl voor kiezen. Zinnig is om je aan zo’n eenmaal afgesproken norm voor langere tijd te houden. Simpelweg omdat er dan een eenduidig verslag is van je progressie.

Vroeger relateerden we de handicaps aan graden, maar tegenwoordig relateren we handicaps aan de vorige handicaps tegen die ene individuele speler die tegenover je zit, middels de promotie/degradatienorm. Dat komt omdat de graad/handicap relatie voor voortdurende conflicten zorgde: omdat spelers op en neer gingen op de handicap-ladder gingen ze strategisch bepaalde partijen uit de weg of weigerden ze de naar hun smaak te grote handicaps gewoonweg te spelen. Sinds de handicaps individueel zijn geworden verdwenen al deze problemen als sneeuw voor de zon.

Van laag naar hoog zijn er de volgende handicaps:

Lans [Lance]: de Lans op 1a verdwijnt uit het spel

Loper [Bishop]

Toren [Rook]

Toren + Lans [ Rook and Lance]

Twee Stukken [Two Piece][dit is: Toren + Loper]

Vier Stukken [Four Piece][als Twee Stukken, maar met ook beide Lansen eraf]

Zes Stukken [Six Piece][als Vier Stukken, maar met ook beide Paarden eraf]

Acht Stukken [Eight Piece][Als Zes Stukken, maar met ook beide Zilvers eraf]

Tien Stukken [Ten Piece][Als Acht Stukken, maar met ook beide Gouds eraf][alleen Koning en Pionnen over]

Schakers willen vaak niet geloven dat Tien Stukken speelbaar is, maar een absolute beginner [iemand die niet al de regels van schaken enigszins kent, en die dus letterlijk àlles nog moet leren, wat dekken van stukken is, bijvoorbeeld, en überhaupt zien dat een stuk aangevallen wordt] kan er echt op verliezen. Een 3-kyu kan met gemak een 15-kyu [de onderste graad] Tien Stukken handicap geven.

De relatie sterkteverschil / handicap is officieel als volgt:

Eén graad verschil: de zwakkere speler neemt Zwart [symbolische handicap]

Twee graden verschil: Lans

Drie graden verschil: Loper

Vier graden verschil: Toren

Vijf graden verschil: Toren + Lans

Zes en zeven graden verschil: Twee Stukken

Acht en negen graden verschil: Vier Stukken

Tien graden verschil: Zes Stukken.

De hogere handicaps hebben geen numerieke relatiewaarde meer. Terecht, want hoe hoe groter de handicap, hoe zwakker de zwakkere speler. En hoe zwakker een speler is, hoe onzekerder zijn graad. De zwakke spelers gaan het snelste vooruit, dus is het ongemak van die eventjes ongewisse situatie maar tijdelijk. Sinds we de relatie graad/handicap niet meer gebruiken voor het bepalen van de handicap gebruiken we deze relatie nu als globaleindicatie voor een graad. Officiële FESA graden [FESA: Federation of European Shogi Associations, ooit door mij geïnitieerd, maar reeds lang in internationale handen] worden automatisch verleend in Zweden aan de hand van officieel erkende toernooien, waarvan het Haagse Tokin toernooi en het Nederlandse Shogi NK er twee zijn.

Anders dan spelers graag willen geloven is er geen lineaire relatie tussen handicaps en sterkten. Beide hebben grote onlogische fluctuaties. We hebben het op de Haagse club meegemaakt dat de afgedwongen handicap tussen spelers A en B een Toren was, en tussen B en C óók, en tussen A en C óók [en ze kregen dat door spelen niet veranderd]. Het komt ook voor dat je een gelijk-op partij wint van een bepaalde [sterkere] speler maar een handicappartij tegen diezelfde sterkere speler verliest, zelfs als die handicap groot is, op dat moment. Maar globaal gezien klopt de oplopende handicapschaal natuurlijk wel.

Om de juiste handicap te bepalen begin je gewoon op de handicap die je het waarschijnlijkst lijkt, en dan promoveer/degradeer je eerst even per partij, en zodra het teken van de uitslag andersom komt te liggen [dat je wint waar je daarvóór alles verloor, of dat je verliest waar je daarvóór alles won] is dàt dan de juiste handicap en komt er een norm van vier voor alle volgende partijen tegen die bepaalde tegenstander. Die norm is niet overdreven, zelfs daarbij kun je nog fluctueren [op- èn neergaan] in handicaps, op langere termijn.

Graden lopen van 15-kyu tot en met 4-dan. Boven 4-dan is er nog 5-dan, 6-dan en 7-dan [amateurgraden], maar die worden alleen verleend door de Nihon Shogi Renmei, in speciale gevallen, meestal het winnen van een belangrijk toernooi. Dit geeft een enigszins vertekend beeld, met als gevolg dat de sterkste 4-dans de zwakste 4-dans [in Japan] een Toren vóór kunnen geven. Nederland heeft drie 4-dans [en een reeks 3-dans, waarvan velen niet meer actief]. Alle internationale Westerse spelersgroepen zijn uiterst klein [in de tientallen…][ook na 34 jaar promoten van het spel: midden jaren ’80 hadden we 53 bondsleden, ons maximum; nu ongeveer 25]