Les 1

Shogi onderscheidt zich van alle andere traditionele schaakspelen door de aanwezigheid van “drops”, het weer kunnen inzetten van geslagen stukken. Dat inzetten van stukken gebeurt in plaats van een zet van een stuk op het bord, en hoeft niet meteen op de volgende zet na het slaan te gebeuren: je kunt voorraadjes aanleggen van geslagen stukken en uit dat voorraadje kiezen of je een stuk daarvan wilt inzetten of in plaats daarvan een gewone bordzet doen.

Die drops [we nemen in Nederland de Engelse term over, omdat hij makkelijk in gebruik is: drops, droppen, Piondrop, etc, beter dan een term als “parachuteren” of “inzetten” of iets dergelijks] kwamen in het spel rond 1570. Opmerkelijk is dat Shogi nauwelijks overeenkomsten vertoont met Chinees schaak, een spel wat net als Go op de kruispunten van lijnen gespeeld wordt. Shogi wordt gespeeld op velden. Er is een link met Thais schaak [Makruk], in welk spel de pionnen eveneens op de derde rij staan, en waar het stuk op de derde plaats van links en rechts op de achterse rij [de Zilver bij Shogi] precies dezelfde zet heeft: in vijf richtingen één stapje. Men neemt aan dat Shogi [de eerste vermelding van Shogi in de literatuur is een dagboekaantekening uit 1020] onstaan is door contact met Zuid-oost Azië over zee [handelsroute].

Door de drops heeft Shogi een geheel eigen karakter. Er zijn langzame, lichte, stukken en snellere, zwaardere stukken, en het duurt een tijdje vóór de strijdende partijen met elkaar in contact komen om het finale gevecht aan te gaan. Openingen zijn daarom wat minder specifiek dan bij schaken. Wel zijn er snelle openingen en langzame openingen [vroege aanval of late aanval]. De gedropte stukken brengen in het gevecht een nieuwe dimensie aan: de gedropte stukken zijn ècht luchtlandingstroepen, die in samenwerking met de grondtroepen opereren. Bij Shogi is het normaal dat in het eindspel gigantisch geofferd wordt om tot mat te komen. Zo is er een spreekwoord: “In the Endgame speed is more important than material”.

Het tweede spreekwoord dat van groot belang is om vanaf dag 1 te kennen is: “Keep the King and Rook apart”. De Toren [je hebt er per speler maar één van, in Shogi, in het begin] is het sterkste stuk in Shogi, en dat stuk trekt dus het meeste strijdgewoel aan, en daar wil je je Koning niet bij in de buurt hebben. Dus is de vuistregel: “Gaat de Toren naar links dan gaat de Koning naar rechts, en andersom”. Beide spelers hebben de optie om hun Toren op het uitgangsveld te laten staan [Static Rook], in de opening, of juist langs de tweede rij naar links te bewegen [in de praktijk is dat: vanaf het midden tot verder][Ranging Rook]. De openingen worden ingedeeld aan de hand van de combinatie van die fundamentele keuzen over de plaats van de Toren.

Openingen hebben bij Shogi een ander karakter dan bij schaken. Bij schaken, wat in wezen een opgevoerd spel is [in vergelijking met het trage oude schaak van voor 1470], hebben de spelers vanaf zet 1 contact met elkaar en aldus ontstaat er die typische vertakkingsboom van zetvarianten, die allemaal overbekend zijn en eigen namen hebben, en waarvan de spelers uiteindelijk, door studie en speelervaring, de relatieve merites [goed voor Wit, goed voor Zwart, onduidelijk wiens voordeel] zo goed mogelijk moeten beoordelen. Bij Shogi zijn er natuurlijk wel wat standaard beginzetten, maar die definiëren de winstkansen via relatieve merites nauwelijks: bij Shogi komt alles op middenspel en eindspel aan, hoewel natuurlijk blunders in de opening ook in Shogi grote gevolgen kunnen hebben.

Dit betekent dat de essentiële kennis die je nodig hebt om goed Shogi te kunnen spelen betrekkelijk gering is. Met de meest courante spreekwoorden, de meest courante forten, en een exposé over de allereerste beginzetten, kun je je hele leven vooruit in Shogi. En dat, gecombineerd met het prettige verschijnsel dat het eerstezetvoordeel nagenoeg 50% is [heel licht voordeel voor Zwart], maakt Shogi tot zo’n prachtig vechtspel. Deze drie onderwerpen zijn precies het pakketje kennis dat ik aan jullie wil gaan overbrengen.

Er zijn geen Shogi openingen encyclopedieën. Geen opzoekbare zettenreeksen met aan het eind een voorlopig oordeel [goed voor Wit, enz.]. Alle Shogi boeken zijn als het ware slechts illustraties bij het spel. En een typische Shogi analyse gaat door tot bijna mat [en dient daarmee dus als leerzaam voorbeeld wat betreft alle aspecten van de betreffende aanval].

Er zijn matproblemen [tsume], waarbij elke zet van de aanvaller [Zwart] schaak moet zijn [je perst de onontkoombare winst er uit], en die zijn een goede training om sterker te worden, anders dan bij schaken, waarbij wedstrijdspel en probleemcompositie aparte werelden zijn. Hoewel sommige tsume-problemen wat kunstmatig overkomen [niet snel voorkomend als stelling in een partij, omdat soms vele stukken tegelijk in staan] zijn ze toch heel goed om te leren een matvoering te vinden als hij in de stelling zit. Bovendien reflecteert een tsume situatie zelf wel degelijk een actueel redelijk frequent voorkomende gebeurtenis in Shogi: je gaat bijna mat, kan daar niets meer tegen doen in direct verdedigende zin, maar je staat niet schaak. Alleen door een tsume [afgedwongen mat door een ononderbroken reeks schaakzetten] kun je dan nog winnen. De structuur van Shogi leent zich daarvoor. Het is dus goed om zo’n matreeks te kunnen vinden.